Weerwoorden

Uitgebreide lijst van weerwoorden met dank aan het KMI en J. Baartse.

A

Cumulonimbus capillatus incus (foto: B. Mühr)
Cumulonimbus capillatus incus (foto: B. Mühr)

Aambeeld2

Het aambeeld (of incus) is een bijkomende vorm van het wolkengeslacht Cumulonimbus. Boven op de Cumulonimbus is een volledig verijsd en uitwaaierend "aambeeld" te zien. Wanneer de bui uitgeregend is blijft dit aambeeld vaak als restant over in de vorm van Cirrus spissatus en kan zelfs overgaan in Cirrostratus.

Aanvriezende mist (foto: onbekend)
Aanvriezende mist (foto: onbekend)

Aanvriezende mist1

Wanneer onderkoelde druppeltjes van een mistlaag in contact komen met bevroren voorwerpen of oppervlakken, spreken we van aanvriezende mist. Onderkoelde druppeltjes zijn de fijne mistdruppeltjes die ook bij negatieve temperaturen (tot zelfs -10 graden) nog vloeibaar blijven. Pas wanneer ze in contact komen met een voorwerp, gaan ze bevriezen en rijm vormen.

Grafiek temperatuur ijzel (foto: onbekend)
Grafiek temperatuur ijzel (foto: onbekend)

Aanvriezende regen1 (ijzel)

Onder aanvriezende regen verstaan we regendruppels of motregen die vallen op een bevroren aardoppervlak. Wanneer deze vloeibare druppels bij het contact bevriezen wordt een ijslaagje gevormd dat men ijzel noemt. IJzel is dus een gevolg is van aanvriezende neerslag.

Bij ijzel is het temperatuursverloop in de luchtlagen nabij de grond speciaal. De temperaturen in de onderste luchtlaag zijn negatief (bv. van 0 tot 700 m hoogte). Daarboven ligt dan een warmere luchtlaag met positieve temperaturen (bv. van 700 tot 1500 m hoogte). Er is dus sprake van een temperatuursinversie. Hogerop wordt de temperatuur dan weer negatief. Op enkele km hoogte wordt er sneeuw gevormd. Wanneer deze sneeuw valt door de positieve luchtlaag gaat hij smelten. Deze regendruppels vallen daarna door de koude onderste laag waardoor ze onderkoeld geraken. Bij contact met het bevroren aardoppervlak ontstaat dan ijzel.

IJzelsituaties kunnen voorkomen op het einde van een lange koudeperiode. De naderende warme lucht zal eerst in de hoogte doordringen (warmfront) omdat de koude grondlaag hardnekkig lang kan blijven "plakken". Indien de temperaturen in de hoogte overal negatief zouden zijn, sneeuwt het.

Aerosol1

Aerosol of fijn stof is het geheel van vaste of vloeibare deeltjes die in een gas zweven. De aërosolsamenstelling in de atmosfeer kan zeer uiteenlopend zijn. De atmosfeer bevat deeltjes van natuurlijke oorsprong zoals pollen en zeezout maar ook deeltjes uitgestoten tijdens de verbranding van fossiele brandstoffen.

Aerosoldeeltjes hebben een direct en een indirect effect op het klimaat. Op haar weg door de atmosfeer wordt de zonnestraling gedeeltelijk geabsorbeerd en weerkaatst door de aërosoldeeltjes. Dit is het directe effect van aerosolen op het klimaat. Daarnaast treden aerosoldeeltjes in de atmosfeer op als condensatiekernen voor water. De aanwezigheid van aerosolen beïnvloedt dus de hoeveelheid waterdruppeltjes en dus de bewolkingsgraad. Vandaar dat aerosolen een indirect effect hebben op het klimaat.

Eén van de methoden om informatie over de hoeveelheid aerosol in de atmosfeer te bekomen is het bepalen van de optische dikte van de aerosolen. Dit is een maat voor de verzwakking van de zonnestraling door kleine zwevende deeltjes in de atmosfeer (aerosol)

Alpengloed op Mt Rainier (VS) (foto: J. Brauer)
Alpengloed op Mt Rainier (VS) (foto: J. Brauer)

Alpengloed2

Naam voor de felle roodkleuring van gletsjers en sneeuwvelden. Het verschijnsel ontstaat doordat het reeds rode licht van de laagstaande zon wordt teruggekaatst door de sneeuw en hierbij nog verder wordt verstrooid en zo in intensiteit toeneemt. Dezelfde felrode gloed is overigens ook te zien als bewolking wordt verlicht door de laatste stralen van de ondergaande zon.

Anenometer (foto: onbekend)
Anenometer (foto: onbekend)

Anenometer1

Een anemometer is een windsnelheidsmeter. Een klassieke anemometer meet de windsnelheid (m/s) uit de snelheid waarmee drie of vier zogenaamde cups rond een as draaien. Dit kan door het vermenigvuldigen van de gemeten draaiingen met een welbepaalde factor, afhankelijk van de afmetingen van de cups en hun verbindingsarmen.

Azorenhoog (foto: onbekend)
Azorenhoog (foto: onbekend)

Anticycloon1 (hogedrukgebied)

Hogedrukgebied en anticycloon zijn synoniemen. Dit is een gebied met gesloten isobaren en in het centrum ligt de hoogste druk. Op de weerkaarten wordt dit aangeduid met een "H". Het bekendste hogedrukgebied is dat van de Azoren. Soms ligt er een uitloper van de anticycloon der Azoren boven onze streken.

Bij een anticycloon in het noordelijk halfrond draait de wind tegen de wijzers van de klok in. In het zuidelijk halfrond draait de wind met de wijzers van de klok mee. Door de corioliskracht waait de wind niet rechtstreeks van een hogedruk- naar een lagedrukkern maar stroomt hij parallel aan de isobaren. Door de wrijvingskracht echter zal de wind in de onderste lagen van de atmosfeer een hoek van ongeveer 30° maken met de isobaren, in het geval van een hogedrukgebied van de hogedrukkern weg.

Belangrijk bij hogedrukgebieden is dat de lucht in de atmosfeer op grote schaal een dalende beweging maakt. Door die daling warmt de lucht op (adiabatische opwarming) en daalt de relatieve vochtigheid. In hogedrukgebieden is het weer dan ook vaak zonnig en rustig. Maar dat is niet altijd het geval. Veel hangt immers af van de ligging van de hogedrukkern zelf. Ligt die kern bijvoorbeeld boven de Britse Eilanden dan bereikt vochtige Noordzeelucht ons land. Er is dan kans op lage bewolking en mist, eventueel ook motregen.

Door de dalende beweging in de hoogte ontstaat er bij belangrijke anticyclonen een zogenaamde subsidentie-inversie. Onder die inversie zijn de luchtbewegingen beperkt en kan luchtverontreining een probleem worden. De inversie kan soms tot enkele honderen meter boven het aardoppervlak zakken.

Cumulonimbus arcus (foto: M. Bahlinger)
Cumulonimbus arcus (foto: M. Bahlinger)

Arcus2 (letterlijk: boog)

Bijkomende vorm van het wolkengeslacht Cumulonimbus, soms voorkomend bij Cumulus. De arcus is een horizontale rolvormige wolk, al dan niet in flarden, onder de Cumulus of Cumulonimbus en geeft de wolk een zeer donker en dreigend uiterlijk.

Schematische weergave atmosfeer
Schematische weergave atmosfeer

Atmosfeer1

De samenstelling van de atmosfeer
De aardse atmosfeer of de dampkring bestaat uit een mengsel van gassen dat we lucht noemen. De belangrijkste gassen zijn N2 (stikstofgas) en O2 (zuurstofgas), die respectievelijk 78% en 21% van het volume innemen. Argon neemt 0,9% van het volume in en CO2 ongeveer 0,03%. De resterende sporengassen zijn neon, helium, krypton, xenon, waterstof, methaan, ozon, CO, ammoniak,…. Tot een hoogte van 90 km blijft de samenstelling van de lucht bijna gelijk. Een belangrijk gas dat niet vermeld werd, is waterdamp. Afhankelijk van de locatie (woestijnen, oceanen,…) en de temperatuur komt waterdamp in sterk wisselende concentraties voor waarbij het volume kan variëren van 0,1% tot ongeveer 5%.

In de atmosfeer komen ook nog vaste deeltjes of aerosolen voor zoals zouten uit zee, klei- en stofdeeltjes, vulkaanstof en verbrandingsdeeltjes. Deze deeltjes zijn belangrijk bij de neerslagvorming.

Het temperatuursverloop in de atmosfeer
De dampkring bestaat uit verschillende sferen. De laag die aan het aardoppervlak grenst, noemen we de troposfeer. In deze globaal genomen 13 km dikke sfeer speelt zich het weer af. Gemiddeld daalt de temperatuur in de troposfeer met 0,65°C per 100 m. De temperatuur aan het aardoppervlak schommelt globaal rond 15°C en de top van de troposfeer, waar de tropopauze begint, is gemiddeld -56°C koud.

De zogenaamde stratosfeer strekt zich uit tussen ongeveer 13 en 50 km hoogte. In deze sfeer bevindt zich de belangrijke ozonlaag. De temperatuur stijgt opnieuw, tot hij op 50 km hoogte het vriespunt bereikt.

In de mesosfeer (50 tot 80 km hoogte) daalt de temperatuur weer snel tot -90°C, terwijl hij in de hogergelegen thermosfeer opnieuw snel oploopt.

Avondrood met Altocumulus (foto: J. Baartse)
Avondrood met Altocumulus (foto: J. Baartse)

Avondrood2

Vrij intense roodkleuring van de hemelkoepel, waarneembaar kort voor, tijdens of na het ondergaan van de zon. Het verschijnsel wordt veroorzaakt doordat bij een lage zonshoogte het rode licht uit het spectrum van het zonlicht op de lange weg door de atmosfeer veel minder sterk wordt verstrooid dan het blauwe en het violette licht. In tegenstelling tot het morgenrood heeft het avondrood niet te maken met vocht, maar veel vaker met stofdeeltjes in de atmosfeer. Avondrood kondigt dan ook meestal een voortzetting van het heersende stabiele weertype aan.

Azorenhoog
Azorenhoog

Azorenhoog1

Boven de eilanden van de Azoren in de Atlantische Oceaan bevindt zich vaak een hogedrukgebied. De positie van dit hogedrukgebied is meestal stationair, maar soms kan het zich wat meer terugtrekken, of juist haar invloed uitbreiden richting Europa. In dat geval spreken we van een uitloper van het hogedrukgebied. Vaak hebben we dan te maken met rustig en stabiel weer en worden de lagedrukgebieden met hun fronten uit onze buurt gehouden of verzwakt. In de winter ligt het hogedrukgebied gemiddeld wat zuidelijker dan in de zomer. Dan is ook het luchtdrukverschil tussen Noord- en Zuid-Europa het grootst. Het Azorenhoog is, in combinatie met het IJslandlaag, verantwoordelijk voor de overheersende zuidwestenwinden in België.

De oorsprong van dit semipermanent hogedrukgebied is een transport van tropische warme lucht in de richting van de Noordpool. Aangezien de tropen meer energie van de zon ontvangen dan de poolkappen, zal de warmere lucht er stijgen (zie convectie). Deze stijgende lucht zal in de hogere luchtlagen richting de poolkappen stromen. Gaandeweg koelt deze luchtstroom af, zodat hij zwaarder wordt en opnieuw daalt. De dalende lucht drukt dan als het ware op het aardoppervlak zodat het hogedrukgebied ontstaat. Dit gebeurt in een gordel omheen ongeveer 30° noorderbreedte en zuiderbreedte.