Weerwoorden

Uitgebreide lijst van weerwoorden met dank aan het KMI en J. Baartse.

08:35 16:58

B

barometer (foto: onbekend)
barometer (foto: onbekend)

Barometer1

Met een barometer kunnen we de atmosferische luchtdruk op een bepaalde plaats meten. Een duidelijke wijziging van de luchtdruk is een aanwijzing voor veranderingen in de weersomstandigheden. Zo kan een merkbaar dalende luchtdruk duiden op de komst van minder gunstige weersomstandigheden.

De meest gekende barometer werkt volgens het principe van de buis van Torricelli, en is gevuld met kwik. Voor de registratie van de luchtdruk wordt soms ook gebruik gemaakt van een barograaf. De luchtdruk wordt in dit toestel afgeleid uit de uitzetting en inkrimping van metalen doosjes, waaruit een groot deel van de lucht onttrokken werd.

Tegenwoordig wordt de atmosferische luchtdruk (automatisch) opgemeten met een zogenaamde receptor.

Om de op een meetstation gemeten luchtdruk op een correcte wijze te herleiden naar (standaard) zeeniveau, is het noodzakelijk de hoogte van het meetstation vrij exact te bepalen. Bij het gebruik van kwik moeten we bovendien rekening houden met de omgevingstemperatuur (kwik zet uit bij warmte) en de corioliskracht. De waarden dienen herleid te worden naar een standaardtemperatuur van 0°C.

Beaufortschaal1 (windkracht)

In de voorspellingberichten gebruiken de weerbureau's de Beaufortschaal om de windintensiteit te definiëren met behulp van de gemiddelde windsnelheid, berekend over een periode van 10 minuten en op een hoogte van 10 m boven het waarnemingsstation. Zie ook de pagina over wind.

Blauwe lucht (foto: onbekend)
Blauwe lucht (foto: onbekend)

Blauwe lucht2

Het licht van de zon is wit, maar toch is een hemel zonder wolken blauw. Het witte zonlicht is ook niet puur wit: het is samengesteld uit verschillende kleuren met uiteenlopende golflengten. In volgorde van afnemende golflengte zijn dat: rood-oranje-geel-groen-blauw-indigo-violet. Luchtmolekulen verstrooien alleen licht met korte golflengten. Daarom zien we tegen de zwarte achtergrond van de wereldruimte alleen blauw: de blauwe lucht dus. Grotere deeltjes verstrooien alle kleuren in het witte zonlicht en leveren dus ook wit licht op. Als er dus veel stof of vocht (water-druppeltjes) in de atmosfeer zit, dan wordt de blauwe kleur fletser wordt of zelfs witachtig. In een industriegebied zien we daarom zelden een diepblauwe lucht. Tijdens opklaringen na een regenbui, die de lucht heeft schoon gewassen, en in schone lucht aangevoerd uit de poolstreken is de lucht donkerblauw. Hoe droger en schoner de lucht, hoe blauwer de kleur. Vandaar dat we ook hoog in de bergen vaak een prachtige blauwe hemel zien. Een diepblauwe lucht wijst meestal op een lage relatieve vochtigheid. Het hemelblauw is alleen zichtbaar tegen een donkere achtergrond. Hoog aan de hemel recht boven ons hoofd is dat de zwarte sterrenhemel, maar om de stralen nabij de horizon te zien moeten we over een grotere afstand door een dikke luchtlaag bij het aardoppervlak heenkijken. Laag in de atmosfeer zitten meer grotere deeltjes en waterdruppeltjes waardoor we de zwarte achtergrond niet meer kunnen zien. Daarom is de blauwe kleur bij de horizon vaak bleker of bijna wit. Als er in de verte bergen te zien zijn fungeren die als donkere achtergrond. Daar ligt dan soms een blauwig waas overheen. Buiten onze dampkring, waar het licht niet wordt verstrooid, is de hemel inktzwart en zijn ook overdag de sterren zichtbaar.

Bliksemschicht (foto: onbekend)
Bliksemschicht (foto: onbekend)

Bliksem1

De bliksem is een elektrische ontlading die zich kan voordoen tussen een onweerswolk en de aarde, tussen wolken onderling of in de onweerswolk zelf. Voordat er bliksem kan ontstaan moeten er in een onweerswolk eerst positieve en negatieve geladen deeltjes gevormd worden. Ten tweede moeten die positieve en negatieve deeltjes gescheiden worden. Als het potentiaalverschil voldoende groot is, treedt de ontlading op. De reden waarom er in een onweerswolk een ladingscheiding voorkomt, is een zeer ingewikkeld en nog niet geheel begrepen proces. Alleszins zal er een overschot zijn aan positieve deeltjes in de hogere delen van de onweerswolk en aan negatieve deeltjes onderaan de wolk.

Donder is een gevolg van de enorme opwarming van de lucht (tot 30.000°C) in het bliksemkanaal. Er volgt een sterke uitzetting van de lucht met een geluidsgolf als resultaat. De snelheid van de donder is relatief laag en zal over 1 km ongeveer 3 seconden doen. Bliksem kan niet alleen gevaarlijk zijn voor personen maar ook voor allerlei apparatuur zoals televisies, computers, enz. Het is dus belangrijk om op voorhand te weten of er onweer op komst is.

Bliksemdetectie1

Meteo IJsselmuiden maakt gebruik van het bliksemdetectiesysteem van Blitzorting. Zie ook deze pagina.

Broeikaseffect (foto: onbekend)
Broeikaseffect (foto: onbekend)

Broeikaseffect1

Het broeikaseffect wijst op de uitwerking van het complexe atmosferische proces waarbij broeikasgassen als een scherm de door de aarde weerkaatste zonnestraling vasthouden. Dit effect zorgt voor warmere temperaturen doordat extra energie wordt tegengehouden.

De broeikasgassen bestaan uit:

  • koolstofdioxide
  • methaan
  • cfk's
  • waterdamp
  • ozon
  • stikstofverbindingen
  • ammoniak
  • zwavelverbindingen
  • radon
  • aerosolen en andere deeltjes (partikels) zoals deze uitgestoten door vulkanen of menselijke activiteiten.

Deze gassen verschillen erg naar hoeveelheid en afschermende werking.

Een bui in de verte. Bij wisselvallig weer zijn er niet alleen stapelwolken maar ook droge perioden met zon. (foto: onbekend)
Een bui in de verte. Bij wisselvallig weer zijn er niet alleen stapelwolken maar ook droge perioden met zon. (foto: onbekend)

Buien1

Buien vallen uit wolken die een gevolg zijn van convectie. De belangrijkste convectieve wolken zijn cumulus en cumulonimbus. Buien worden gekenmerkt door een plots begin en plots einde. De duur van een bui is meestal korter dan 1 u. Tijdens buien zijn er vaak ook sterke verschillen in neerslagintensiteit. Deze kenmerken verschillen duidelijk van de klassieke regen- of sneeuwzones die uren aanhouden en verbonden zijn met fronten.

Meestal vallen er regen- of sneeuwbuien maar wanneer de atmosfeer sterk onstabiel is, kan er onweer ontstaan. Deze onweersbuien kunnen gepaard gaan met veel neerslag, hagel en zware windstoten.

Wanneer het buiig is wordt ook gesproken van wisselvallig weer. Hiermee bedoelt men dat er naast buien ook droge perioden voorkomen, soms zelfs met vrij brede opklaringen. Buien hebben de neiging om vooral in de namiddag en de avond tot ontwikkeling te komen, op het ogenblik dat de onderste luchtlagen het warmst zijn. Maar dat is zeker geen algemene regel want buien kunnen ook 's nachts en in de voormiddag ontstaan, vooral dan als het gaat om buienlijnen.

In het najaar vallen er meer buien in de kustgebieden omdat het zeewater dan nog lange tijd vrij warm blijft (het zeewater verandert veel langzamer van temperatuur als het landoppervlak). Vooral wanneer er noordelijke polaire lucht over de Noordzee stroomt kunnen de buien talrijk en onweerachtig worden. In de lente en de vroege zomer vallen er dan globaal genomen weer minder buien aan zee omdat het zeewater nog relatief koud is maar het binnenland al flink kan opwarmen.

Met de term winterse buien bedoelen we een mengeling van regen, (smeltende) sneeuw en soms ook korrelhagel of korrelsneeuw. Deze buien kunnen ook vallen in maart en april en dan spreekt men over voorjaarsbuien of over maartse buien.

Buienlijn (bron: BuienRadar)
Buienlijn (bron: BuienRadar)

Buienlijn1

Buien worden gevormd door convectie. Soms ontstaan er buien met weinig structuur die verspreid vallen over het land. Maar soms gaan de buien zich organiseren tot lijnvormige structuren en gebruiken we de algemene term buienlijn. De weerverschijnselen kunnen zeer uiteenlopend zijn. Een buienlijn kan bestaan uit enkele onschuldige regenbuien die het weer op een bepaalde locatie slechts voor korte tijd bepalen. Maar sommige buienlijnen kunnen zeer actief zijn met plensbuien of onweer. Er zijn heel veel factoren die de hevigheid van buien bepalen. Berucht zijn de buien die ontstaan in een omgeving met een belangrijke windschering. Met windschering bedoelen we dat de wind met de hoogte sterk in kracht toeneemt en/of sterk van richting verandert.