Weerwoorden

Uitgebreide lijst van weerwoorden met dank aan het KMI en J. Baartse.

08:35 16:58

C

Cumulonimbus calvus (foto: W. Sabold)
Cumulonimbus calvus (foto: W. Sabold)

Calvus2 (letterlijk: kaal)

Vorm van het wolkengeslacht Cumulonimbus. De Cumulonimbus calvus is een vervolg op de Cumulus congestus. Er is een krachtige verticale ontwikkeling. De contouren aan de bovenkant van de wolk zijn aan het vervagen, de wolk verliest de bloemkoolstructuur. Dat betekent dat de toppen aan het verijzen zijn. Een duidelijke ijskap is echter nog niet te zien.

Cumulonimbus capillatus incus (foto: onbekend)
Cumulonimbus capillatus incus (foto: onbekend)

Capillatus2 (letterlijk: langharig)

Vorm van het wolkengeslacht Cumulonimbus. Aan de bovenkant van de Cumulonimbus is een langharige , ongeordende wolkenontwikkeling te zien, helemaal bestaande uit ijskristallen. Bij een dergelijke bewolking is er sprake van buiïg weer.

Altocumulus castellanus (foto: G. Richardson)
Altocumulus castellanus (foto: G. Richardson)

Castellanus2 (letterlijk: met kantelen)

Vrij platte wolk, met daar bovenop torentjes in de vorm van kantelen. De castellanus duidt op een forse onstabiliteit op de hoogte waar deze wolkensoort voorkomt. Deze soort komt op alle niveaus voor bij de wolkengeslachten Cirrus, Cirrocumulus, Altocumulus en Stratocumulus. De Altocumulus castellanus is het beruchtst. Deze is bijna altijd de voorbode van een stevige onweersbui.

Cirrus (foto: onbekend)
Cirrus (foto: onbekend)

Cirrus1

Zie wolkenatlas

Condensatie- kernen2

In de atmosfeer aanwezige zeer kleine vaste of vloeibare deeltjes met afmetingen van circa 0,0001 tot 0,01 mm, waaraan watermoleculen zich kunnen hechten zodat druppelvorming mogelijk is. Deze condensatiekernen kunnen op allerlei manieren in de atmosfeer terechtkomen, bijv. door vulkanische uitbarstingen (asdeeltjes), door opwaaiïng (op het land van micro-organismen, boven zee vooral van zoutkristallen) en door menselijke activiteit (industrie, verkeer).

Convectie1

Convectie in de atmosfeer betekent het opstijgen van luchtbellen. Convectie ontstaat doordat de zon in de loop van de dag het aardoppervlak en zo ook de onderste luchtlagen verwarmt. Warmere lucht heeft een kleinere dichtheid dan koudere lucht, zodat ze de neiging heeft om op te stijgen. Het is ook mogelijk dat een koude luchtmassa over een warmere ondergrond stroomt en zo convectie veroorzaakt (mogelijk ook 's nachts). Dit gebeurt bijvoorbeeld achter een koufront of wanneer van oorsprong arctische lucht over veel warmer zeewater stroomt.

Door de stijgende bewegingen is het mogelijk dat er bewolking ontstaat (zie wolkenvorming). Hiervoor moet de lucht wel voldoende vochtig zijn. Anders zijn er enkel verticale verplaatsingen zonder wolkenvorming. Deze convectieve wolken worden ook stapelwolken of cumuliforme wolken genoemd. De luchtbellen kunnen enkel blijven stijgen zolang de atmosfeer onstabiel is. De convectie kan verticaal gezien kilometers ver doorgaan, zelfs tot aan de tropopauze. In dat geval spreken we van diepe convectie met vorming van grote cumuluswolken of cumulonimbus.

Het is ook mogelijk dat de atmosfeer maar over een beperkte laag onstabiel is, zodat de stijgende luchtbellen al snel botsen op een stabiele laag of inversie. In dat geval is de convectie ondiep en ontstaan er geen wolken of slechts bescheiden cumuli.

De zeebries is een ander weerverschijnsel dat het gevolg is van convectie.

Convergentielijn op weerkaart
Convergentielijn op weerkaart

Convergentielijn1

Een convergentielijn is een lijn of een zone waar de wind in de onderste luchtlagen samenkomt of convergeert. Hierdoor kan er horizontaal bekeken een "overschot" aan lucht ontstaan, zodat er verticale bewegingen volgen die kunnen leiden tot wolken en mogelijk ook neerslagvorming, zelfs met hevig onweer. In principe zijn fronten ook convergentielijnen, maar die worden hier buiten beschouwing gelaten. Convergentielijnen zijn minder grootschalig en vormen geen echte scheiding tussen luchtmassa's.

Bij een convergentielijn kan de wind vanuit totaal verschillende richtingen samenstromen, bijvoorbeeld uit het zuidwesten en het noordoosten. Convergenties treden ook op wanneer de wind extra wrijvingskrachten ondervindt. Zo zal een zeewind op land door de grotere wrijving wat van richting veranderen. Er is dan niet alleen een samenstromen van lucht door de richtingsverandering, maar ook door het afnemen van de windsnelheid. Het reliëf, zoals ook de Veluwe, kan de wind doen afwijken met convergenties als gevolg. De Veluwe is onder andere hierdoor gevoeliger voor buien en onweer.

De meest klassieke en soms uitgestrekte convergentielijn treft men af en toe aan op zeer warme zomerdagen. Zij wordt op onze weerkaarten getekend als een oranje "visgraatlijn". Dit type van convergentielijn ontstaat vooral boven het centrale deel van Frankrijk en kan later naar onze streken opschuiven. In sommige streken wordt de lucht zo sterk opgewarmd (nog meer dan in de omliggende gebieden) dat ze begint te stijgen. In de hogere luchtlagen boven de warmste zone zal er een kleine "overdruk" ontstaan en zal er lucht horizontaal wegstromen (bij de zeebries, die men ook kan beschouwen als een convergentielijn, is hetzelfde principe aanwezig). Het resultaat is dat de luchtdruk aan de grond (een beetje) daalt. In het drukpatroon is dan een kleine uitstulping van lage druk terug te vinden. We spreken van een thermische vore. In sommige gevallen kan de druk sterker dalen en kan de vore zich tot een klein lagedrukgebiedje omvormen. Dit is dan een thermisch lagedrukgebiedje. Vooral in vochtige lucht kunnen convergentielijnen in de zomer zeer hevig onweer veroorzaken met gevaar voor zware windstoten, veel neerslag en hagel.

Corioliseffect1

Het corioliseffect heeft te maken met het draaien van de aarde om haar eigen as. De Corioliskracht veroorzaakt een richtingsverandering van de wind. Deze verandering is alleen zichtbaar voor iemand (of een satelliet) die mee de draaiing van de aarde maakt.

Een belangrijk gevolg van de corioliskracht is dat de wind op grote schaal niet in een rechte lijn stroomt van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied. In werkelijkheid stroomt hij ongeveer parallel met de isobaren. Door de wrijving van de wind aan het ruwe aardoppervlak snijdt de windvector in de onderste luchtlagen wel de isobaren met ongeveer 30° op land en op zee met ongeveer 10°. In de hogere luchtlagen is die afwijking verwaarloosbaar en stroomt de wind mooi omheen de lage- en hogedrukzones.

Cumulonimbus (foto: onbekend)
Cumulonimbus (foto: onbekend)

Cumulonimbus1

Zie wolkenatlas

Cumulus (foto: onbekend)
Cumulus (foto: onbekend)

Cumulus1

Zie wolkenatlas