Weerwoorden

Uitgebreide lijst van weerwoorden met dank aan het KMI en J. Baartse.

08:35 16:58

D

Rond IJsland liggen vaak lagedrukkernen. In deze situatie van 23 januari 2009 ligt er een uiterst diepe stormkern van maar liefst 938 hectopascal ten zuiden van IJsland en een dochterkern boven de Britse Eilanden van 971 hectopascal. Boven onze streken waait het ook flink en allerlei fronten verbonden aan deze kernen bepalen het weer (Bron Met Office).
Rond IJsland liggen vaak lagedrukkernen. In deze situatie van 23 januari 2009 ligt er een uiterst diepe stormkern van maar liefst 938 hectopascal ten zuiden van IJsland en een dochterkern boven de Britse Eilanden van 971 hectopascal. Boven onze streken waait het ook flink en allerlei fronten verbonden aan deze kernen bepalen het weer (Bron Met Office).

Depressie1 (lagedrukgebied)

Depressie en lagedrukgebied zijn synoniemen. Het is een gebied met gesloten isobaren waarin de luchtdruk laag is tegenover de omgeving. Met de letter 'L' wordt op weerkaarten de kern van het lagedrukgebied aangegeven. Een uitloper van een lagedrukgebied wordt een trog of een vore genoemd.

Bij een depressie in het noordelijk halfrond draait de wind tegen de wijzers van de klok in. In het zuidelijk halfrond draait de wind met de wijzers van de klok mee. Door de corioliskracht waait de wind niet rechtstreeks van een hogedrukkern naar een lagedrukkern maar stroomt hij parallel aan de isobaren. Door de wrijvingskracht echter zal de wind in de onderste lagen van de atmosfeer een hoek van ongeveer 30° maken met de isobaren, in het geval van een depressie naar de lagedrukkern toe. Omdat de lucht samenstroomt (convergeert) in de kern wordt ze gedwongen te stijgen. Hierdoor koelt de lucht af met wolkenvorming en vaak neerslag als gevolg. Bovendien waait het dikwijls flink en kunnen sommige depressies zelfs zo sterk uitdiepen dat een stormdepressie ontstaat.

Er bestaan verschillende soorten van depressies. De meest klassieke vorm in onze gematigde streken is de frontale depressie waarin naast warmte- en koufronten ook dikwijls occlusiefronten terug te vinden zijn.

Enkele andere types van lagedrukgebieden zijn:

  • Tropische depressies: zij bevatten geen fronten, in extreme gevallen kunnen ze uitgroeien tot cyclonen.
  • Thermische depressies: boven Frankrijk bijvoorbeeld ontstaan in de zomer op zeer warme dagen soms kleine lagedrukgebiedjes zonder fronten. Door het samenstromen van de lucht kan dat hevig onweer veroorzaken. Dit onweer kan daarna in een zuidelijke stroming ons land bereiken.
  • Orografische depressies: aan de lijzijde van grote bergketens kan een lagedrukgebiedje ontstaan.

Driftsneeuw (foto: onbekend)
Driftsneeuw (foto: onbekend)

Driftsneeuw1

Wanneer het hard waait kan sneeuw van een bestaande sneeuwlaag opwaaien. Dan spreken we van driftsneeuw of stuifsneeuw. Ook bij een combinatie van veel wind en vallende sneeuw gebruiken we deze term.

Driftsneeuw kan het zicht sterk beperken en tot in zeer kleine kieren doordringen, waardoor het apparatuur kan beschadigen. Er kunnen sneeuwophopingen ontstaan en zelfs zogenaamde sneeuwduinen. Deze kunnen plots verschijnen langs wegen en het verkeer belemmeren.

Bij stormwinden vanaf 8 Bft en sneeuwval spreken we van een sneeuwstorm, in sommige landen ook blizzards genoemd. Bij windsnelheden van 6 of 7 Bf gebruiken we de term sneeuwjacht.