Weerwoorden

Uitgebreide lijst van weerwoorden met dank aan het KMI en J. Baartse.

08:35 16:58

O

Toont de ontwikkeling van een lagedrukgebied start langs een stationair front. Geleidelijk wordt de lagedrukkern dieper en tekenen het kou- en warmfront zich duidelijk af. In de eindfase ontstaat het occlusiefront.
Toont de ontwikkeling van een lagedrukgebied start langs een stationair front. Geleidelijk wordt de lagedrukkern dieper en tekenen het kou- en warmfront zich duidelijk af. In de eindfase ontstaat het occlusiefront.

Occlusiefront1

Bij het weerwoord frontale depressie wordt uitgelegd hoe een warmtefront en een koufront ontstaan als een lagedrukkern (depressiekern) zich begint uit te diepen. Dit wordt nog eens geïllustreerd in naastliggende figuur. Wanneer de depressie in haar volwassen fase komt, vormt zich het zogenaamde occlusiefront (fase d van figuur).

Op een weerkaart wordt een occlusiefront voorgesteld door een paarse curve met halve paarse cirkeltjes en driehoekjes die wijzen in de bewegingsrichting van het front.

Het occlusiefront ontstaat omdat het koufront sneller beweegt dan het warmfront. Rond de depressiekern is de afstand tussen het kou- en het warmfront het kleinst zodat daar de occlusie start. Door dit occluderen zal de warme sector alsmaar kleiner worden en mogelijk geheel verdwijnen. Hierdoor zal de opgetilde warme lucht na verloop van tijd niet meer terug te vinden zijn op aan het aardoppervlak.

Het is mogelijk dat de lucht voor de occlusie minder koud is dan de lucht achter de occlusie. In dat geval heeft het occlusiefront eerder de kenmerken van een koufront. Omgekeerd gelijkt de occlusie eerder op een warmfront. Het is ook mogelijk dat er weinig verschil bestaat tussen de luchtmassa voor en achter het occlusiefront.

Cumulonimbus calvus (foto: W. Sabold)
Cumulonimbus calvus (foto: W. Sabold)

Onstabiele lucht1

Uit het begrip convectie blijkt dat luchtbellen vanaf het aardoppervlak soms kilometers hoog kunnen stijgen en daarbij grote stapelwolken zoals cumulus of cumulonimbus vormen. Dit is echter alleen mogelijk als de atmosfeer onstabiel is.

In welke mate koelt stijgende lucht af?
Wanneer een luchtbel (of in het algemeen een luchtlaag) begint te stijgen, koelt ze op een bijzondere manier af. Luchtbellen zullen niet de temperatuur aannemen van de omgeving waarin ze zich verplaatsen, daarvoor gaan de stijgingen te snel. Een proces waarbij er geen warmteuitwisseling met de omgeving bestaat, noemen we adiabatisch.

Een stijgende luchtbel koelt dus niet af omdat de omgevende lucht kouder wordt, maar wel omdat bij de stijging de luchtdruk afneemt waardoor de bel moet uitzetten. Hierdoor botsen de luchtmolecules minder zodat de temperatuur daalt. Zolang luchtbellen niet verzadigd zijn, gebeurt de afkoeling op een constante manier, namelijk met 10°C/km. Eenmaal een luchtbel verzadigd is, zal de afkoeling trager verlopen omdat er condensatiewarmte vrijkomt.

Wanneer is de atmosfeer onstabiel?
Zolang een stijgende luchtbel warmer is dan haar omgeving, zal ze spontaan verder blijven stijgen. Warmere lucht heeft immers een lagere dichtheid. In dit geval is de atmosfeer onstabiel. In de praktijk is de atmosfeer vooral onstabiel als de onderste luchtlagen zeer warm en vochtig zijn ofwel de hogere luchtlagen zeer koud. Er is met andere woorden een groot verticaal temperatuurcontrast nodig. Pas wanneer de luchtbel kouder wordt dan haar omgeving, komt er een einde aan de stijging en wordt de atmosfeer stabiel.

Vaak worden hele luchtlagen gedwongen om te stijgen, bijvoorbeeld langs fronten, convergentielijnen of door het reliëf. Het is dan mogelijk dat de luchtlaag aanvankelijk stabiel is, maar door de gedwongen stijging op een bepaald moment onstabiel wordt. We spreken dan van potentieel onstabiele lucht, want de onstabiliteit wordt pas gerealiseerd na een gedwongen stijging. Zo zal een fel onweer in de zomer pas echt losbarsten langs een optillingsmechanisme zoals een convergentielijn.

Cumulonimbus (foto: onbekend)
Cumulonimbus (foto: onbekend)

Onweer1

Onweer wordt gedefinieerd als "één of meerdere plotselinge elektrische ontladingen, waarneembaar als een lichtflits (bliksem) en een scherp rommelend geluid (donder)". Onweerswolken behoren tot het wolkengeslacht cumulonimbus.

We spreken van weerlicht als de bliksem slechts als een oplichtend verschijnsel achter of tussen de wolken herkenbaar is (eventueel achter de horizon). Het eigenlijke bliksemkanaal blijft dus onzichtbaar en de donder is binnen normale gehoorsafstand niet altijd hoorbaar.

Er is sprake van onweer en dus van een onweersdag, als er minstens één bliksem wordt waargenomen door een detectiesysteem of een waarnemer.

Of er al dan niet onweer ontstaat, hangt af van vele factoren. De atmosfeer moet onstabiel zijn, zoals op dagen met warme en vochtige lucht in de onderste luchtlagen, of bij zeer koude lucht in de hogere lagen. Er moet bij voorkeur een optillingsmechanisme bestaan zoals een front of een convergentielijn. Om een zeer zwaar onweer uit te lokken, met gevaar voor hagel en zware windstoten, moet er ook een zogenaamde windschering zijn. Dit betekent dat de windkracht met de hoogte sterk toeneemt en dat ook de windrichting met de hoogte duidelijk verandert.

Onweer (eencellig)1

Eencellig onweer is één van de vier onweertypes. Het ontstaat vaak op warme dagen door convectie in een onstabiele atmosfeer. Ze ontwikkelen zich in een luchtmassa, met andere woorden fronten of een ander grootschalig optillingsmechanisme liggen niet in de buurt. Het reliëf bevordert hun ontwikkeling. Ook in de koude maanden kunnen dergelijke onweders gevormd worden indien er in de hoge luchtlagen zeer koude lucht wordt aangevoerd.

Onweer (meercellig)1

Meercellig onweer is één van de vier onweertypes en het is zelfs de meest voorkomende vorm. Omdat er vele cellen tegelijk voorkomen spreekt men ook van clusters of verzamelingen van onweerscellen. Af en toe kunnen meercellige onweders zich organiseren in een lijnvorm en ontstaat een zogenaamde squall line.

Meercellig onweer bestaat uit meerdere cellen die zich in verschillende ontwikkelingsfasen bevinden: groeifase, volwassen fase of eindfase (zie figuur bij eencellig onweer). Elke cel bezit een warme stijgstroom en een koude daalstroom die door het uitstromen aan de grond een nieuwe stijgstroom kan forceren. Een oudere cel creëert dus een nieuwe cel. De afzonderlijke cellen overleven niet lang maar het hele complex van moeder- en dochtercellen kan urenlang bestaan. Zo kan er bijvoorbeeld per 10 minuten een nieuwe cel ontstaan en uiteindelijk kan het in totaal gaan om ongeveer 30 cellen die zich hebben gevormd.

De reden waarom er nieuwe cellen ontstaan is verbonden aan het verloop van de wind met de hoogte. Bij eencellig onweer is de toename van zowel de windkracht als de windrichting beperkt zodat daal- en stijgstroom elkaar hinderen en de cel snel uitdooft. Bij meercellig onweer is het vooral de windsnelheid die met de hoogte toeneemt, de windrichting wijzigt niet echt veel. Het gevolg is dat daal- en stijgstromen nu beter gescheiden lopen.

Geclusterde onweerscellen kunnen al flink wat schade aanrichten: veel neerslag met wateroverlast, vrij grote hagelstenen en zware windstoten. Zwakke tornado's zijn ook mogelijk.

Squall line (foto: SturmjaegerTobi)
Squall line (foto: SturmjaegerTobi)

Onweer (squall line)1

Soms gaan onweercellen zich organiseren in een lijnvorm. Meercellig onweer met lijnvorming is één van de vier onweertypes. De Engelse term "squall line" wordt vaak gebruikt (een "squall" is een plots opstekende rukwind die soms minuten lang kan aanhouden). Opdat lijnvorming ontstaat is er een belangrijk optillingsmechanisme nodig zoals een koufront of een convergentielijn. Zij kunnen niet alleen in de zomer maar ook in de winter voorkomen.

De verschillende koude daalstromen van de onweerscellen kunnen in sommige meteorologische situaties gaan samensmelten tot één groot "windstotenfront", beter bekend onder de Engelse term "gustfront" (gust = rukwind). Waar de koude lucht horizontaal uitstroomt aan de grond ontstaan soms zeer zware windstoten. De warme lucht aan de voorzijde wordt opgetild zodat nieuwe stijgstromen ontstaan. Een windstotenfront kan bij alle onweertypes voorkomen maar vooral bij squall lines zijn ze soms zeer uitgestrekt (mogelijk honderden km lang), zodat ze lijken op een koufront. Ze kunnen uren bestaan.

Lijnvormig onweer is vooral berucht om de valwinden die ontstaan door een ingewikkeld proces. Ook tornado's kunnen af en toe voorkomen. Er is gevaar voor grote hagelstenen en veel water op korte tijd.

Supercel (foto: SturmjaegerTobi)
Supercel (foto: SturmjaegerTobi)

Onweer (supercel)1

De zeer sterk georganiseerde supercel is één van de vier onweertypes. Het is potentieel het zwaarste onweer dat af en toe ook in onze streken voorkomt en een ware ravage kan aanrichten (zowel in het warme als in het koude seizoen). Supercellen kunnen volledig geïsoleerd van andere onweerscellen tot ontwikkeling komen en dan zijn ze het gevaarlijkst omdat ze niet gehinderd worden. Ze kunnen zich echter ook manifesteren in clusters van onweerscellen of in squall lines.

Het is vooral in een omgeving met grote windscheringen dat supercellen gevormd worden. Met windscheringen bedoelen we hier dat de wind met de hoogte sterk verandert in richting en in kracht. Hierdoor zullen daal- en stijgstroom mooi gescheiden van elkaar verlopen met een krachtige en "super" georganiseerde cel als gevolg.

Supercellen, die uren kunnen blijven bestaan, zijn berucht voor mogelijke windhozen (tornado's). Maar zeker niet alle supercellen produceren windhozen en in feite gaat het zelfs om een minderheid. Tornado's kunnen ook bij de andere onweertypes voorkomen maar het is in de eerste plaats bij supercellen dat de echt zware exemplaren zich kunnen ontwikkelen.

In feite is de supercel een speciaal soort van eencellig onweer. Bijzonder is dat de stijgstroom door de windschering een roterende beweging maakt, men spreekt dan van een mesocycloon. Een supercel heeft bijvoorbeeld een diameter van 30 km en de mesocycloon van 5 à 10 km. Eventuele windhozen zijn nog veel kleiner met meestal een diameter van tientallen tot honderden meters.

Andere gevaren bij supercellen zijn valwinden, grote hagelstenen en zeer veel neerslag op korte tijd.

Onweertypes1

Er bestaan verschillende types van onweer. We kunnen op basis van hun structuur de onweders indelen in 4 hoofdvormen. Voor meer uitleg bekijk de aparte weerwoorden.

Het zijn de mate van onstabiliteit en de zogenaamde windschering die de indeling bepalen. Met windschering wordt bedoeld dat de wind met de hoogte in richting en/of in kracht verandert.

Bij onweer zijn er stijgende en dalende bewegingen. Men spreekt van stijg- en daalstromen. In de groeifase ontwikkelt er zich in een onstabiele atmosfeer een stijgstroom waaruit stapelwolken van meer dan 10 km hoogte kunnen groeien. Door die stijgbeweging worden de wolkendeeltjes alsmaar zwaarder en op een gegeven ogenblik ontstaan er een daalbewegingen. Deze koude daalstroom bereikt uiteindelijk de grond met meestal neerslag en mogelijk zware valwinden als gevolg. Het hangt van de verandering van de wind in kracht en in richting af hoe de daal- en stijgstromen onderling verlopen. Indien de daalstroom samenvalt met de stijgstroom zal het onweer snel uitdoven. Wanneer beide elkaar niet hinderen kunnen zeer zware onweersbuien ontstaan. De koude daalstroom zal bij het horizontaal uitspreiden aan de grond de warme luchtlagen optillen en zo een nieuwe stijgstroom genereren.

Ozon1

Ozon is een gas dat aanwezig is in de atmosfeer. Een ozonmolecule bestaat uit 3 atomen zuurstof (chemische formule O3), in tegenstelling tot de gewone moleculaire zuurstof (O2) die uit slechts twee atomen bestaat. Ozon heeft een typische geur die ook waar te nemen valt bij elektrische ontladingen (in bijvoorbeeld oude kopieerapparaten).