Weerwoorden

Uitgebreide lijst van weerwoorden met dank aan het KMI en J. Baartse.

08:35 16:58

S

Shelf cloud (foto: onbekend)
Shelf cloud (foto: onbekend)

Shelf cloud1

Wanneer koude lucht uitstroomt en de warme lucht aan de grond optilt kunnen speciale wolkenvormen ontstaan die vooral bekend zijn onder hun Engelstalige naam: shelf clouds. Deze dreigende wolken, die een boogvorm aannemen, treden op aan de voorzijde van de onweerscellen. Zij kondigen vaak hevige weersverschijnselen aan.

Smog1

Smog is een samentrekking van de Engelse woorden smoke (rook) en fog (mist). Oorspronkelijk betekende smog een combinatie van mist en luchtverontreiniging. Tegenwoordig duiden we smog aan als een periode met verhoogde luchtverontreiniging. Mist is daarbij niet noodzakelijk aanwezig.

Smog kan het hele jaar voorkomen. In de winter gaat het vooral om een teveel aan fijn stof en zwaveldioxide. Weersituaties met weinig wind en diepe temperatuurinversies bevorderen wintersmog.

In de zomer is vooral ozon de oorzaak van smog. Deze ozonsmog treedt op wanneer het weer zeer warm, stabiel en zonnig is. In dergelijke situaties ontstaat ozon door de inwerking van zonlicht op sommige vervuilende stoffen, afkomstig van het verkeer en de industrie.

Sneeuw (foto: jarmoluk)
Sneeuw (foto: jarmoluk)

Sneeuw1

Bij neerslagvorming wordt uitgelegd hoe in koude wolken, met wolkentoppen van minstens -12°C, ijskristallen ontstaan. Deze ijskristallen groeien verder aan en beginnen door de zwaartekracht te vallen. Hierbij vormen ze klonters met andere ijskristallen tot ze uiteindelijk sneeuwvlokken vormen.

Indien de temperaturen tussen de wolken en het aardoppervlak negatief blijven, bereiken de sneeuwvlokken de grond. Het gebeurt ook dat de luchttemperatuur in de onderste laag van de atmosfeer licht positief is zodat er een zekere afsmelting gebeurt. Men spreekt dan van smeltende sneeuw of natte sneeuw.

Het is duidelijk dat er verschillende soorten sneeuw bestaan, afhankelijk van de temperatuursverdeling. Soms is de sneeuw zeer luchtig en droog en verstuift hij gemakkelijk bij veel wind. Soms is hij zwaar en nat, ideaal voor sneeuwballen! Dit type sneeuw verstuift niet en is moeilijk weg te borstelen.

Sneeuw veroorzaakt niet alleen gladde wegen, maar zorgt bij veel wind ook voor extra problemen door het beperkte zicht. Fijne sneeuw kan tot in de kleinste kieren binnendringen en allerlei technische problemen veroorzaken. Zie ook driftsneeuw.

Squall line1

Zie onweer (squall line)

Stabiele lucht1

In een onstabiele lucht blijven luchtbellen stijgen, zolang ze warmer zijn dan hun omgeving. In een stabiele atmosfeer gebeurt het omgekeerde. Wanneer de luchtbellen kouder worden dan hun omgeving zullen ze dalen omdat ze een grotere dichtheid hebben dan hun omgeving.

Vooral bij inversies is de lucht stabiel. Zo ontstaat er 's nachts door de uitstraling vaak een grondinversie en zijn de onderste luchtlagen warmer dan de grond. Hierdoor zijn de verticale luchtbewegingen bijna onbestaande en is er gevaar voor CO en smog.

Een ander voorbeeld van een zeer stabiele luchtlaag is een subsidentie-inversie. Mogelijk is de atmosfeer overdag door de zonnewarmte onder de subsidentie-inversie nog wel onstabiel en kunnen er kleine stapelwolkjes gevormd worden. Maar eenmaal de luchtbellen botsen op de inversie zijn ze kouder dan hun omgeving en is de stijging voorbij.

Als in de winter zachte zeelucht van tropische oorsprong over onze afgekoelde streken stroomt, is de atmosfeer ook stabiel van opbouw.

Storm1

Storm komt overeen met windkracht 9 op de schaal van Beaufort. Dit betekent dat de wind gemiddeld over 10 minuten en op een hoogte van 10 m boven het meetstation een snelheid bereikt van minstens 75 km/u.

Haalt de wind gemiddeld over 10 minuten een snelheid van minstens 90 km/u dan wordt gesproken van zware storm (10 Bft), terwijl een gemiddelde snelheid van 103 km/u staat voor zeer zware storm (11 Bft).

Indien de gemiddelde windsnelheden boven 117 km/u komt spreekt men van orkaankracht of 12 Bft.

Officieel spreekt men van storm vanaf 9 Bft. Op land wordt officieus van storm gesproken bij rukwinden boven 100 km/u (maar dit geldt niet tijdens buien zoals bij zomeronweer). Het is echter fout om rukwinden, die maar een ogenblik duren en dus geen 10 minuten, in te passen in de Beaufortschaal.

Stormdepressie1

Is een depressie met winden van 9 Bft of meer (9 Bft betekent op 10 meter hoogte over 10 minuten een gemiddelde windsnelheid van 75 km/u). Officieel spreekt men van storm vanaf 9 Bft. Op land wordt officieus van storm gesproken bij rukwinden boven 100 km/u (maar dit geldt niet tijdens buien zoals bij zomeronweer). Stormdepressies in onze gematigde streken op zee kunnen uitzonderlijk ook orkaankracht halen (uiterst zelden en zeer tijdelijk ook op land).

Er zijn vier belangrijke straalstromen in de aardatmosfeer: 1 = polaire jet van het noordelijk halfrond, 2 = subtropische jet van het noordelijk halfrond, 3 = subtropische jet van het zuidelijk halfrond, 4 = polaire jet van het zuidelijk halfrond.
Er zijn vier belangrijke straalstromen in de aardatmosfeer: 1 = polaire jet van het noordelijk halfrond, 2 = subtropische jet van het noordelijk halfrond, 3 = subtropische jet van het zuidelijk halfrond, 4 = polaire jet van het zuidelijk halfrond.

Straalstroom1

Een straalstroom, ook vaak "jet stream" of kortweg "jet" genoemd, is een relatief smalle zone met hoge windsnelheden. Straalstromen bevinden zich in de hoge troposfeer (zie atmosfeer), net onder de tropopauze. De hoogte van de straalstroomas bedraagt vaak 9 à 10 km, wat ongeveer overeenkomt met een luchtdruk van 300 tot 250 hPa. Om van een echte straalstroom te kunnen spreken is een minimumsnelheid van 30 m/s (108 km/u) vereist. Windsnelheden tot 400 km/u of wat meer zijn mogelijk.

De belangrijkste straalstromen zijn de polaire straalstroom en de subtropische straalstroom. Ze zijn aanwezig in beide halfronden zie figuur. De polaire straalstroom van het noordelijk halfrond ligt vaak in de nabijheid van onze streken. Meestal bevindt hij zich tussen 45 en 60° noorderbreedte, waarbij zijn positie in de winter zuidelijker is dan in de zomer. Straalstromen zijn vaak enkele duizenden km lang en enkele honderden km breed. Het gebied met de sterkste winden, de as van de straalstroom, is vaak 50 tot 100 km breed en 1 tot 2 km hoog.

Belang voor het weer
Ligt de straalstroom boven of in de buurt van onze streken dan is het weer meestal slecht. Immers jets zijn verbonden aan belangrijke frontale zones en dit betekent een opeenvolging van neerslaggebieden en frontale depressies. Soms ligt de straalstroom duidelijk ten noorden van ons land en is het meestal warmer dan normaal. Het weer kan dan ook uitgesproken zonnig zijn, eventueel met lokaal onweer in het warme seizoen. Ligt de jet ten zuiden van ons dan is het kouder dan normaal met mogelijk stevige buien.

Stratus (foto: onbekend)
Stratus (foto: onbekend)

Stratus1

Zie wolkenatlas