Weerwoorden

Uitgebreide lijst van weerwoorden met dank aan het KMI en J. Baartse.

08:35 16:58

W

Een klassiek frontensysteem is gekoppeld aan een diepe depressiekern ten zuidwesten van IJsland. Ierland bevindt zich in de warme sector. Onze streken krijgen door de oostelijke verplaatsing eerst de neerslag van het warme front te verwerken, dan de motregen van de warme sector en vervolgens het koufront.
Een klassiek frontensysteem is gekoppeld aan een diepe depressiekern ten zuidwesten van IJsland. Ierland bevindt zich in de warme sector. Onze streken krijgen door de oostelijke verplaatsing eerst de neerslag van het warme front te verwerken, dan de motregen van de warme sector en vervolgens het koufront.

Warme sector1

Wanneer lagedrukgebieden zich uitdiepen worden de fronten duidelijker (zie frontale depressies). De zone tussen het warmtefront en het koufront noemen we de warme sector.

De luchtmassa in de warme sector is van maritiem tropische oorsprong. Als ze over minder warme gebieden trekt, koelt ze af en wordt er lage bewolking gevormd met kans op motregen. Bij diepe depressies in de winter kan het in de warme sector tijdelijk zeer zacht worden met temperaturen van ruim 10 °C.

Vermits het koufront sneller beweegt dan het warmfront, wordt de warme sector alsmaar kleiner.

Fronten
Fronten

Warmtefront1

Een warmtefront is vaak verbonden aan een frontale depressie. Bij de doortocht van een warmfront op een bepaalde locatie neemt warmere lucht de plaats in van koudere lucht. Dit gaat gepaard met veel wolken, soms langdurige regen of sneeuw en een verandering in windrichting en -kracht.

Op een weerkaart wordt een warmtefront voorgesteld door een rode lijn met halve rode cirkeltjes, die wijzen in de bewegingsrichting van het front. Naastliggende figuur toont een situatie aan de grond met een lagedrukkern van 992 hPa. De wind draait tegen de wijzers van de klok in en maakt een duidelijke sprong aan de fronten.

Weer1

Het weer is de actuele toestand van de atmosfeer op een bepaalde plaats, op een bepaald ogenblik. Het weerbeeld wordt bepaald door een samenspel van weerselementen zoals luchtdruk, temperatuur, luchtvochtigheid, neerslag, bewolking,... Het toekomstige weer wordt voorspeld door meteorologen. Het begrip weer mag niet verward worden met het begrip klimaat (metingen over 30 jaar).

Weermodel1

Meteorologen maken vooral gebruik van weermodellen om het toekomstige weer te voorspellen. Deze computerprogramma's berekenen de evolutie van de atmosfeer op basis van natuurkundige wetten. Weermodellen zijn niet perfect, daarvoor is onze atmosfeer veel te complex. Een model is per definitie een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid.

Wervelwind1

Is een verzamelnaam voor allerlei windhozen (kleinschalig) en tropische depressies (grootschalig). Bij deze term ligt dus, ongeacht de schaal, de nadruk op de wervelende beweging. Tornado is de lokale naam van een windhoos in Noord-Amerika maar wordt bijvoorbeeld ook gebruikt in Europa. Windhoos en tornado zijn synoniemen.

Wind1

Wind is de relatieve beweging van de lucht tegenover het aardoppervlak.

Algemeen genomen is wind een gevolg van luchtdrukverschillen. Hierbij stroomt de wind van gebieden met een hogere luchtdruk naar streken met een lagere luchtdruk (zie ook corioliseffect). Op hun beurt ontstaan deze luchtdrukverschillen door een ongelijke opwarming van de aarde, zowel op kleinere als op grotere schaal.

Op wereldschaal worden de tropische gebieden veel sterker opgewarmd dan de polaire gebieden. Immers wanneer zonnestralen de aardse atmosfeer bereiken, is hun invalshoek in de tropen ongeveer loodrecht terwijl die veel schuiner is in de polaire gebieden. Hierdoor moeten de stralen een langer traject afleggen in de polaire atmosfeer. Dit betekent een verlies aan energie zodat deze streken minder opwarmen. De atmosfeer zal pogen deze temperatuursverschillen af te zwakken en dit leidt tot zeer complexe luchtcirculaties waarbij er enorme hoge- en lagedrukgebieden van duizenden kilometer diameter ontstaan.

Maar ook op kleine schaal kunnen windsystemen ontstaan door een ongelijke opwarming. De zeewind is daar een voorbeeld van. Het zeewater warmt overdag immers veel minder sterk op dan het land.

Cumulonimbus tuba - Windhoos te 's Heerenbroek 12-08-2006 (foto: R. IJssel)
Cumulonimbus tuba - Windhoos te 's Heerenbroek 12-08-2006 (foto: R. IJssel)

Windhoos2

Wervelwind met een karakteristieke doorsnede van enkele tientallen meters. Een windhoos is een kleinere versie van de tornado en komt op dezelfde plaatsen voor. Ook in onze omgeving treden windhozen op, die flinke schade aan kunnen richten, maar ze zijn toch wat minder hevig dan hun Amerikaanse tegenhangers. De hoos trekt met de bui mee en laat door wind en grote luchtdrukverschillen een spoor van vernielingen achter. Soms bevat de windhoos objecten die tijdens de tocht over het aardoppervlak zijn opgezogen. De zichtbare slurf bestaat net als een wolk uit waterdruppeltjes. De windsnelheden bij een windhoos kunnen zeer lokaal oplopen tot enkele honderden kilometers per uur en de passage van een hoos gaat gepaard met een enorm lawaai. Ze komen voor bij extreem onstabiele situaties bij een hoge relatieve vochtigheid van de lucht en een relatief koude bovenlucht. Er kunnen zich dan zeer actieve buiencomplexen ontwikkelen, die in enkele gevallen met windhozen gepaard gaan. Hoewel windhozen bij voorkeur bij buienlijnen optreden, kunnen afzonderlijke zware buien ook wel eens een windhoos veroorzaken. Bij het ontstaan van een windhoos is een uitstulping aan de onderzijde van de donkere buienwolk te zien, die zich vervolgens als een slurf naar de aarde uitbreidt. De slurf bereikt niet altijd het aardoppervlak. Al naar gelang het verloop van de stijgende en dalende luchtbewegingen in de wolk, kan de slurf breder of smaller worden. Net als bij de tornado is het gedrag van de windhoos erg grillig. Gunstige omstandigheden voor zware buien zijn door de meteoroloog doorgaans goed aan te geven. Verwachtingen voor wat betreft windhozen zijn echter onmogelijk.

Voorstelling van een gelaagde wolk en een stapelwolk (rode pijl). In dit voorbeeld zijn de temperaturen van de basis van de gelaagde wolk nog positief (druppeltjes). Wat hoger in de wolk worden de temperaturen negatief en zijn de onderkoelde druppeltjes (witte bolletjes) nog massaal aanwezig. Vanaf -20°C domineren de ijskristallen. In onstabiele situaties kunnen stapelwolken ontstaan met soms sterke verticale bewegingen (rode pijl). Hierdoor kunnen de onderkoelde druppels tot zeer hoog in de wolk doordringen.
Voorstelling van een gelaagde wolk en een stapelwolk (rode pijl). In dit voorbeeld zijn de temperaturen van de basis van de gelaagde wolk nog positief (druppeltjes). Wat hoger in de wolk worden de temperaturen negatief en zijn de onderkoelde druppeltjes (witte bolletjes) nog massaal aanwezig. Vanaf -20°C domineren de ijskristallen. In onstabiele situaties kunnen stapelwolken ontstaan met soms sterke verticale bewegingen (rode pijl). Hierdoor kunnen de onderkoelde druppels tot zeer hoog in de wolk doordringen.

Wolkensamenstelling1

Een wolk is een verzameling van een groot aantal zeer kleine waterdruppeltjes of ijskristalletjes, of een mengsel van beiden. Er is geen contact met het aardoppervlak, want dan spreken we van mist.

In lucht zitten vele gassen, waaronder het onzichtbare gas waterdamp. Wanneer de lucht verzadigd geraakt met waterdamp, zal het teveel aan waterdamp condenseren tot zeer kleine waterdruppeltjes. De wolk wordt nu zichtbaar. Bij zeer lage vriestemperaturen is het ook mogelijk dat de waterdamp zich rechtstreeks omzet in ijskristalletjes, een proces dat we verrijping noemen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij cirruswolken.

Bij het condensatieproces zal de waterdamp zich afzetten op condensatiekernen. Deze kernen zijn altijd in min of meerdere mate in de lucht aanwezig: klei- en zanddeeltjes, zoutkristallen (zeewater), pollen, roet, etc. Opdat er ijskristallen uit die druppeltjes zouden ontstaan, zijn er zogenaamde vrieskernen nodig. Vrieskernen, zoals zanddeeltjes, zijn groter maar ook veel minder talrijk dan condensatiekernen.

Opvallend is dat de zeer kleine wolkendruppeltjes bij negatieve temperaturen niet snel gaan bevriezen en dus vloeibaar blijven: ze zijn onderkoeld. Pas vanaf -12° à -15°C verschijnen er meer ijskristallen en vanaf -20°C verdwijnen de meeste onderkoelde druppels. Vanaf -40°C bestaan wolken nog enkel uit ijskristallen (zoals cirrus).

Wolkenvorming (foto: abogawat)
Wolkenvorming (foto: abogawat)

Wolkenvorming1

Lucht kan maar een beperkte hoeveelheid waterdamp bevatten. Als algemene regel geldt: hoe hoger de temperatuur van de lucht, hoe meer waterdamp ze kan opnemen. Zo kan lucht bij 20°C maximaal 17 gram/m³ waterdamp bevatten, bij 0°C is dit nog maar 5 gram/m³. Wordt de maximale hoeveelheid waterdamp bereikt, dan spreken we van met waterdamp verzadigde lucht. De relatieve luchtvochtigheid is in dat geval 100%. Vanaf dat ogenblik treedt er condensatie of verrijping op en worden de wolken zichtbaar (zie ook "wolkensamenstelling").

Veruit het belangrijkste proces dat tot wolkenvorming leidt, is afkoeling. Om tot die afkoeling te komen, moet de lucht stijgen. In het begin zal de lucht niet verzadigd zijn. Bij 0°C bevat een luchtpakket bijvoorbeeld 2,5 gram/m³ waterdamp (het maximum is 5 gram/m³ zodat de relatieve vochtigheid 50% is). Wordt dit luchtpakket gedwongen te stijgen, dan daalt de temperatuur maar de hoeveelheid waterdamp blijft gelijk. Bij -8°C kan de lucht nog maar maximaal 2,5 gram/m³ bevatten zodat er vanaf hier verzadiging optreedt (relatieve vochtigheid van 100%).

Lucht kan gedwongen worden te stijgen langs fronten (nabij lagedrukgebieden), langs bergketens, etc. In onstabiele weersituaties kunnen luchtbellen ook spontaan beginnen te stijgen. Het gevolg van die stijgende luchtbewegingen is dat er een zogenaamde afkoeling door adiabatische expansie plaatsvindt. Doordat de druk met de hoogte afneemt, moet de lucht uitzetten. Hierdoor neemt de interne energie van de luchtbel af, met een temperatuursdaling als gevolg. Vrijwel alle wolken worden op deze manier gevormd.